NKDE

Bericht uit Frankrijk

Bericht uit Frankrijk

On januari 12, 2002, Posted by , In Overig, With Reacties uitgeschakeld voor Bericht uit Frankrijk

Parijs, 23 September 2002

Beste Mensen,

Wij hebben nu al een paar keer, en van onverdachte zijden, begrepen dat het toch eigenlijk geen pas heeft dat we nog steeds niet in een bijdrage aan de Redactie van de BaD hebben laten weten hoe het hier nu eigenlijk is en hoe wij de Franse voortzetting van ons leven als Drascombevarenden beleven. Vandaar dus dit schrijven, wellicht wat laat, maar dat heeft zo zijn reden, wellicht komt dat er nog uit terwijl ik dit schrijf. Laten we maar eens zien wat er van overblijft nadat Els haar redactionele rode pen heeft gehanteerd.

We zitten hier nu ruim een jaar, en herinneren ons nog goed hoe we op 11 september 2001, met de verhuizers aan het inpakken waren. Wat we met de Windroos wilden doen wisten we nog niet, want aan het nadenken daarover waren we nog niet toegekomen. Veel lekker ruim water om te op te varen is er in de directe omgeving van Parijs niet, zoveel hadden we wel begrepen, en wanneer we dat dus wilden moesten we onze blik dus wat verder richten dan we voor onze weekends gewend waren (Hellevoetsluis – Den Haag is binnen het uur te doen). De eerste maanden van ons verblijf hier hebben we ons met deze en gene wat in de omgeving georiënteerd, en uiteindelijk, aan het eind van het jaar, ons in een weekend naar de kust begeven om dat deel ervan te bekijken dat volgens zeilers uit onze omgeving de moeite van het bekijken waard zou zijn. Daarbij waren de criteria of er voor ons bootje te zeilen zou zijn, of veel mensen dat daar met soortgelijke bootjes dan ook deden, of er een ligplek te krijgen zou zijn, of het er landschappelijk dan ook nog wel een beetje aardig uitzag en of we er niet al te ver van huis van raakten. Van die rondrit langs de kust kwamen we thuis met twee plekken die bij de criteria pasten. Daar hebben we vervolgens de verantwoordelijken voor aangeschreven en uiteindelijk werd het onze eigen meerboei in de monding van de rivier de Orne bij Merville / Franceville, vlak bij de haven van Oueistreham, op de grens van de Normandische stranden waar de landingen van 1944 werden uitgevoerd. Voor de kenners, we moeten vlak voor de Pegasus brug rechtsaf willen we (met de auto) van onze ligplaats naar de dichtstbijzijnde leverancier van spulletjes voor de boot.

Daar ligt dus de Windroos/Rose des Vents (op die naam kom ik nog terug, maar voorlopig blijf ik nog maar even de naam Windroos gebruiken) aan de rand van een natuurpark waar het wemelt van de beschermde vogels, in een bocht van de rivier, op een plek waar we rond laag water naar de boot kunnen lopen. Windroos ligt dan op een bedje van mosselen te pronken, temidden van overwegend kleine motorbootjes die in de weekends en op zomeravonden worden bemand door vissers die dat voor hun liefhebberij doen. Bij laag water zijn we steevast omringd door grote scharen intensief plukkende mosselgaarders die dat het liefst in familieverband doen. De Fransen hier hebben nog steeds grote families, dus dat is werkelijk een drukte van belang. De mensen begrijpen dan ook echt niet dat wij daar niet aan meedoen, ik bedoel aan dat mosselen plukken, hoewel ze wel steeds zeggen dat het niet veel oplevert en dat ze te klein zijn die mosselen, wanneer je niet weet te plukken op de diepste stukken bij heel laag water. Maar toch, elke keer als wij er zijn is het weer druk met de pluk, het is een niet te onderdrukken lust die de mensen daar botvieren. Twee keer per dag dus.

Toen wij hier in het zeer vroege voorjaar voor het eerst met de Windroos aankwamen, kwam de Havenmeester ons tegemoet met tranen in de ogen. Het was nog vroeg, er stond niet veel wind en de Windroos was voor deze eerste gelegenheid nog niet zeilend, maar op de trailer gekomen. Toch was het de Havenmeester onmiddellijk duidelijk dat hij hier op de vroege ochtend al oog in oog stond met het mooiste schip uit zijn hele ambtsgebied. Hij stak dat ook niet onder stoelen of banken en liet zich in zeer jubelende tonen uit. Onze relatie was meteen goed, hetgeen heel gelukkig is want we zijn zeer van de Havenmeester afhankelijk wanneer we naar de Windroos willen als het geen laag water is en we niet naar ons schip kunnen lopen. Aangezien dat regelmatig het geval is, zijn we dus blij dat de Havenmeester in die periodes de taak van Veerman uitoefent en ons met onze barang aan en van boord brengt. Bovendien blijkt de Havenmeester, veel meer dan wij, bedreven te zijn in technische hulpmiddelen zoals nieuwe buitenboordmotoren die het niet zo makkelijk doen als wij wel gewend waren. Daarbij houdt hij erg van wijn (zie jubeltonen over mooiste schip in zijn ambtsgebied) en goede Nederlandse sigaartjes. Enfin, dit alles schept een band die door ons zorgvuldig wordt gekoesterd. De Havenmeester loopt trouwens met een door hem zelf gemaakte foto van de Windroos op zak, keurig onder zeil de haven aanlopend. Waar kom je zoveel waardering voor wat mooi is nog tegen vandaag de dag.

De Havenmeester is trouwens niet de enige hier met goede smaak op het gebied van schepen. Op een van de eerste tochten die we naar buiten maakten, werden we bij terugkeer in de aanloop van de haven van Ouistreham tegemoet gevaren door de reddingboot (zo’n hele grote, die meer op een zeesleepboot lijkt dan op een KNRM vaartuig) die vervolgens met grote vaart een scherpe bocht vrijwel om zijn eigens as draaide en langzaam naar en naast ons opkroop. Vervolgens hing de hele bemanning en alle opa’s, oma’s, ooms en tantes die het weekend waren mee geweest over boord om naar ons te kijken, te wijzen en bewonderende en waarderende gebaren te maken. Met zo’n hele dikke boot naast je voel je je dan toch niet echt op je gemak, zeker niet als die waardering ook betekent dat je enige aandacht moet retourneren. Maar alles ging goed.

De Havenmeester past trouwens heel goed op ons, want hij weet dat mensen uit de grote stad niet overal verstand van kunnen hebben. Hij vertelt ons ook wanneer wij (naar zijn oordeel) wel en niet buiten op zee kunnen varen. Hier op de rivier valt niet te zeilen – afgezien dat het volgens de reglementen van de Club die deze ‘haven’ exploiteert ook niet mag – en dus is het voor het weekend steeds het inschatten van de weerberichten of het wel of niet wat wordt. En dan maar kijken of er in de praktijk een groot verschil is met die voorspelling. Dat is nog wel eens het geval en hebben we de gelegenheid om van het langs de boot razende eb- of vloed water te genieten (het tijverschil loopt hier op tot acht meter) en van de rust van de natuur (wanneer de mosselaars er nog niet of niet meer zijn) maar is het devies verder ‘niet naar buiten’.

Het nadeel van zo’n kusthaven aan een kust zo als hier is dat je naar rechts of naar links kunt, maar eigenlijk nergens anders heen. Ergens achter kruipen, in een stukje dat een beetje rustiger is, is er niet bij. De mogelijkheden zijn dus betrekkelijk beperkt, zeker wanneer het weer ook niet zo stabiel is dat je met een volkomen gerust hart ergens op de kust voor anker zou kunnen gaan liggen. Dan is het wel goed dat we zo’n oppas hebben die ons op de beperkingen wijst en ons vertelt dat we bepaalde dingen vandaag beter maar niet zouden moeten doen.

Met de tijd die het ons kost om van huis tot boot te komen valt het wel mee. Vooral wanneer er niet te veel anderen zijn die op het zelfde moment dezelfde kant uit willen. Dat geldt ook voor de reis van boot tot huis, hoewel er dan toch wat vaker een opeenhoping lijkt te zijn van mensen die nodig weer op een bepaald moment van de zondagavond thuis willen zijn. Met wat geluk doen we over een enkele reis niet meer dan een uur of tweeënhalf, maar wanneer er veel andere enthousiasterikken op de weg zijn wil het wel eens uitlopen en kan de reistijd heen of terug oplopen tot boven de vier uur. Al met al is het te doen en geen onoverkomelijk bezwaar, al hadden we wel verzonnen dat we serieus zouden moeten nadenken om minder vaak, maar dan wat langer te gaan en bijvoorbeeld een weekend van vier in plaats van twee dagen te doen. Dat is er in de praktijk echter nog niet van gekomen, hetgeen natuurlijk te maken heeft met al die andere dingen die we ook zo leuk vinden om te doen, hier in de stad.

Waar veel van terecht is gekomen is onze vakantie hier in Frankrijk. De gedachten die we daar over hadden kregen al vrij snel behoorlijk vorm en bleken achteraf ook een gelukkige keuze te zijn geweest. Het uitgangspunt daarbij was dat we, nu we eenmaal hier woonden, ook maar hier onze vakantie moesten doorbrengen. We hadden daarbij trouwens ook een beetje een achterstand in te halen want we zijn, in de afgelopen dertig jaar dat wij samen vakantie vieren, nog maar één of hooguit twee keer in Frankrijk op vakantie geweest. Tijdens een paar maanden wonen in Parijs hadden we wel in de gaten gekregen dat we wat in te halen hadden en dat dat zeer de moeite waard was. Bovendien hadden we tussen de knipsels die we de afgelopen Drascombe jaren hadden verzameld ook het een en ander over de Golf van Morbihan gevonden en wisten we dat onze Engelse vrienden daar jaarlijks in augustus een rally organiseren.

Vakantiebestemming 2002 was dus snel bepaald en dat blijkt echt een aanrader. Een gebied met meer dan honderd eilanden op een binnenzee van zo’n honderd vierkante kilometer, veel fraaie strandje bij die eilandjes, heel veel braamstruiken op sommige van die eilanden (dus Els wil nog een keer) en heel veel heel mooie natuur. Nadeel, er staat op veel plekken op die binnenzee ook nog al wat sterke stroom en je kunt dus niet zomaar altijd heen waar je wilt. Als je de stroom niet mee hebt dan gaat het eigenlijk niet en als je stroom wel mee hebt dan gaat het soms ook wel erg hard. Dan ben je zo van het ene eind naar het andere, of, zoals in een Frans tijdschrift stond, binnen drie uur van het begin van de Golf naar een van de verste bestemmingen die je in de Golf kunt verzinnen. We hebben het niet nagerekend, want het zal best. Wij hebben geconstateerd dat we na tweeënhalve week daar rondzeilen nog een heleboel plekken niet hadden gezien, aangedaan of bezocht, en dat we er een andere keer best nog langer of opnieuw weer heen zouden gaan. We hebben ook geconstateerd dat de veruit meest bevaren Engelse mede Drasser in deze Golf rally er sedert de laatste zeventien jaar elk jaar komt en dat hij er nog steeds niet is uitgekeken. Bovendien bleek Bretagne deze zomer toch een van de betere gebieden te zijn om een Franse vakantie door te brengen.

En dan spreken we alleen nog maar over de Golf van Morbihan en niet van het hele zeilgebied dat daar weer voor ligt. Een keur aan eilandjes, baaitjes en strandjes die stuk voor stuk aantrekkelijk zijn als zelfstandige bestemming en die, volgens de geschiedschrijvers, alle even zo vele bakermatten zijn geweest van hele generaties zeelieden waar men nu nog elke dag over praat op de gehele kust van West Afrika. Aan dat zeilgebied hebben we nog maar een paar dagen geroken en ook dat smaakte uitdrukkelijk naar meer.

Feit is dat het Mekka van de Franse zeilerij hier ook wel zo’n beetje is gelokaliseerd wat zich laat afmeten aan het aantal bedevaartgangers. Niet aan het aantal schepen dat hier zeilt, want gelukkig (voor anderen) zijn er zeer velen die niet verder komen dan de parkeerplaats die de eigen jachthaven eigenlijk is. Maar drukker dan Schotland is het zeker wel, en dat is geen overdrijving.

Aan die buitenkant van de Golf hadden we trouwens nog een, ook voor ons geheel nieuwe, ervaring. Voor het eerst van mijn leven werd mij, en nog wel door een jonge dame, en met meer dan de doorgaans aan bijna alle Drassers bekende belangstelling (‘Bent u meneer Vandersmissen zelf?’) gevraagd of ik eigenaar van dit schip was. Maar deze mevrouw was in uniform en haar twee collega’s ook. Aan de eerste vraag werd een tweede toegevoegd. Of ik dan maar zo vriendelijk wilde zijn dat eigendom ook eens aan te tonen. Ik natuurlijk trots, want zo’n vraag krijg je niet dagelijks en zeker niet met zoveel gezag gesteld. Bovendien, daarom had ik juist deze winter door de KNWV die mooie vlaggenbrief laten maken, want ik wilde hier graag de Nederlandse vlag blijven voeren. Jammer, die lag natuurlijk nog thuis. Maar de overtuigingskracht die er was uitgegaan van mijn zelfverzekerde uitspraak ‘die vlaggenbrief pak ik even’ hielp bij het oplossen van het probleem. Ik vond hem niet en kon haar in de gauwigheid niets anders laten zien dan een bewijs van in verzekeringneming van onze Nederlandse assuradeur.

In het Nederlands gestelde documenten helpen sowieso niet echt veel in Frankrijk, maar na een goed gesprek en mijn oprechte uiting van verbijstering dat het niet kunnen tonen van de juiste documenten mij een boete zou opleveren van 150 Euro, hielpen het ijs breken. Wel werd me nog even gevraagd eens na te denken over hoeveel goed vertrouwen ik nu eigenlijk wel van haar, die toch de Franse Staat vertegenwoordigde, verwachte wanneer er achter op mijn schip Rose des Vents stond geschilderd en in de brief van de verzekeraar toch duidelijk over de Windroos werd geschreven.

Dat was een stuk lastiger uitleggen, want waar dat eigenlijk op neer komt is dat de Fransen te stom zijn om te begrijpen wat een Windroos is als je de ondertiteling er niet bij geeft. En aangezien de Fransen niet aan ondertiteling doen maar er in hun eigen taal gewoon hard doorheen praten had het mij dus practisch geleken om de vertaling er maar gewoon op te zetten en het origineel weg te laten. Dat dat voor mij ook weer betekende dat ik de naam van ons schip (want al heette die vroeger Timshel, voor ons blijft het de Windroos) eigenlijk wel en toch eigenlijk ook weer niet veranderd had, heb ik maar niet eens geprobeerd.

Ik vond het eigenlijk allemaal al erg genoeg en die mevrouw ook. Bovendien had ze twee mannelijke collega’s in haar gezelschap zodat je nooit weet hoe ferm iemand zich aan de regels moet houden. Dat deed ze dus wel, en ze bleef in haar rol met de vervolgvraag of die dubbele Frans / Nederlandse naam dan ook wel op de vlaggenbrief (die ik niet kon laten zien) stond. Dat was natuurlijk niet het geval, hetgeen me de raadgeving opleverde dan toch maar zo verstandig te zijn om dat acuut te laten aanpassen. Dat heb ik beloofd.

Ik heb thuis nog wel even nagelezen of dat hele gesprek met het Franse gezag eigenlijk wel zin had gehad of over de juiste feiten ging. Dat was maar gedeeltelijk het geval. Voor diegenen die het Nederlands niet beheersen heeft de afgever van de vlaggenbrief heel doelgroepvriendelijk, in Engels, Frans en Nederlands, in het rood, met grotere letter dan de meeste tekst in de rest van het document, een stempel afgedrukt waar uit blijkt dat dit geen eigendomsbewijs maar een nationaliteitsbewijs is en dat degene op wiens naam de brief is afgegeven er geen enkel recht of aanspraak aan kan ontlenen terzake van het eigendom van het pleziervaartuig. Misschien wist die geüniformeerde dame dat ook wel, maar ik had toch maar liever die vlaggenbrief gewoon bij me gehad, dat staat veel betrouwbaarder. Nu moest ze maar aannemen (zonder het gevraagd te hebben) dat ik het schip niet uit Engeland had gesmokkeld en geloven dat de honden gelijk hadden dat ze geen drugs konden ruiken. Uren later liepen ze trouwens nog steeds door de haven.

Tenslotte nog een kleine gebeurtenis die we de moeite van het vermelden waard vinden, want dat vinden we toch eigenlijk wel heel erg leuk. Aan Els werd door een zwemmende jonge dame een aquarel aangeboden, vertonende de Windroos voor anker in de Golf van Morbihan. Had haar moeder van en voor ons gemaakt omdat ze het zo’n leuk gezicht vond. Die aquarel hangt dus nu in de kajuit van de Windroos.

Na deze beschrijving van de meest simpele methode om aan een mooie aquarel van je Drascombe te komen kan ik me haast niet anders voorstellen dan dat er volgend jaar een grote vloot landgenoten naar de Golf trekt om aan de jaarlijkse, door onze Britse zustervereniging georganiseerde rally deel te nemen. Dat zouden de Britse Drassers ook erg leuk vinden zeiden ze ons met grote nadruk. Wellicht zal de planning van een andere manifestatie hen echter doen kiezen voor een andere periode, niet in augustus, maar in de week van Hemelvaart. Dan zou het kunnen samenvallen met de Semaine du Golfe die dan voor de tweede keer zal plaatsvinden maar die nu al door de deelnemers als een belangrijke traditie wordt gezien. Een groot festijn met vele honderden traditionele of er traditioneel uitziende schepen die een week lang van de ene haven naar de andere festiviteit varen. Als dat je een aanlokkelijk spektakel lijkt moet je zeker hier zijn. Of dat echter op kan tegen het kwaliteitsbod van het traditionele Hemelvaart waddenweekend waag ik te betwijfelen. Maar daar komen ze dan vanzelf wel achter.

Hartelijke groet

Els en Fred Roos

Comments are closed.